Opfokkers ontevreden over opfokvergoeding
Opfokvergoeding is al jaren structureel veel te laag

De eierprijzen verbraken de afgelopen jaren menig prijsrecord. Leghennenhouders profiteerden hiervan. Zo was hun inkomen in het jaar 2023 hoger dan ooit en behaalden ze in 2022 en vorig jaar eveneens uitstekende financiële resultaten. Ook dit jaar liggen de eiernoteringen en daarmee de rendementen van leghennenhouders op een buitengewoon hoog niveau.
Volgens opfokkers van leghennen is het de hoogste tijd dat zij hiervan profiteren en dat leghennenhouders meer gaan betalen voor 17-weekse hennen. Zij pleiten nadrukkelijk voor een hogere opfokvergoeding, die in hun ogen al jaren structureel te laag is. Zo blijkt uit een rondgang van Pluimveeweb onder opfokkers – die vanwege de gevoeligheid van het onderwerp niet met naam en toenaam genoemd willen worden. Hun namen zijn bekend bij de redactie.
„Wij ontvangen een opfokvergoeding op basis van een kostprijsberekening uit het jaar 2010, exclusief arbeid. Dat kan echt niet meer", zegt een opfokker fel.
50 cent meer per hen is slechts een tiende cent per ei
Opfoksysteem drie keer duurder
„De aanschaf van een nieuw opfoksysteem is drie keer zo duur als in 2010. Je bent knettergek als je daarin investeert met de huidige opfokvergoeding", vervolgt hij. „Een volière of Nivo Varia-opfoksysteem is na vijftien jaar afgeschreven. Ik moet echter geld lenen bij de bank om de inrichting in mijn stallen te kunnen vervangen. Dat is ridicuul. De opfokvergoeding had dermate hoog moeten zijn dat je na vijftien jaar voldoende verdiend had om dit soort vervangingsinvesteringen te kunnen doen." Collega's onderschrijven dit en wijzen erop dat alle kosten sterk toegenomen zijn in de afgelopen jaren. „Vijftien jaar geleden betaalde ik 22 euro per uur voor een kippenvanger. Tegenwoordig 42 euro. Dit is bijna het dubbele, terwijl hij de helft minder hennen vangt per uur." Zijn beroepsgenoot benadrukt dat de prijzen van pluimveerechten momenteel op een onnoemlijk hoog niveau liggen. „Ik heb 32 euro betaald voor pluimveerechten. Daar moet ik twintig jaar hennen voor opfokken. Dat is absurd lang. Op de pluimveerechtenmarkt moet ik als opfokker concurreren met vleeskuikenhouders en leghennenhouders die beduidend meer verdienen."
Opfokkers zagen de afgelopen jaren dat naast leghennenhouders ook vleeskuikenhouders hoge winsten behaalden. Sommige opfokkers overwegen daarom de overstap naar vleeskuikens. Dat de vergunningverlening momenteel muurvast zit, houdt hen tegen. Een enkeling zet deze stap wel en gaat vleeskuikens houden voor het 1 ster Beter Leven-keurmerk (ster-kuikens). „De verdiensten met ster-kuikens zijn aanmerkelijk hoger, terwijl het beduidend minder werk is", zegt een opfokker die ook 1 ster Beter Leven-kuikens houdt. Naast verdiensten spelen aangescherpte eisen voor biologische opfok ook een rol bij de overweging van opfokkers om over te stappen naar vleeskuikens. Daarentegen zijn er ook opfokkers die een nieuwe stal in gebruik nemen.
Collega-opfokkers wijzen erop dat regelmatig wordt onderschat hoeveel arbeid opfokhennen vergen. „Naast de dagelijkse controlerondes jagen we de hennen 's avonds in het systeem zodat ze dat in de opfok al leren en leghennenhouders hiervan profiteren", zegt een opfokker. Bovendien worden veel koppels twee keer per ronde geënt door een entploeg. Daarnaast kost het uitmesten van een stal aanmerkelijk meer tijd dan het uitmesten van een vleeskuikenstal. „We zijn met vier man een dag druk om de mest uit de stal te krijgen omdat we het onder het systeem weg moeten scheppen. Een vleeskuikenstal heb ik in mijn eentje binnen twee uur uitgemest. Daar hoef ik enkel de mest langs de muren weg te scheppen."
„Het schoonspuiten van een opfokstal kost door de aanwezigheid van het opfoksysteem ook aanzienlijk meer tijd dan het schoonspuiten van een vleeskuikenstal. In mijn stallen zijn bovendien regelmatig poten doorgerot van het Nivo Varia- of volière-opfoksysteem. Het onderhoud vergt vaak wel een dag”, aldus een opfokker.
50 cent per hen
Dat de huidige opfokvergoeding te laag is en omhoog moet, daar zijn alle opfokkers het roerend over eens. Een enkeling is echter gematigder dan zijn collega's: „De marges voor opfokkers en leghennenhouders staan niet in verhouding en moeten om die reden omhoog. We kunnen desondanks een behoorlijke boterham verdienen. Bovendien lopen we als opfokker minder risico dan een leghennenhouder, die in tegenstelling tot ons direct geraakt wordt als de eierprijs in elkaar stort.” Hij denkt dat veel opfokkers blij zijn als ze 25 cent meer per afgeleverde hen ontvangen.
Zijn collega's zien dit volstrekt anders. „Als de eierprijs keldert dan gaat de opfokvergoeding snel omlaag om leghennenhouders tegemoet te komen. Andersom duurt het erg lang voordat onze vergoeding stijgt bij een oplopende eiermarkt", zegt een ervaren beroepsgenoot.
Een gangbare opfokker vindt dat de voerwinst per vierkante meter staloppervlakte minstens gelijk moet zijn aan het saldo van 1 ster Beter Leven-vleeskuikens. „Eigenlijk is dat nog te weinig omdat opfok aanmerkelijk meer arbeid vergt", betoont hij. Uit zijn berekening komt naar voren dat de basisopfokvergoeding van 8,5 cent per week per afgeleverd hen hiervoor omhoog moet naar 11,14 cent. Een 17-weekse opfokhen wordt hierdoor 45 cent duurder. „Als een witte hen die 500 eieren legt 50 cent duurder wordt voor een leghennenhouder dan praat je over een tiende cent per ei die een leghennenhouder dan extra kwijt is aan jonge hennen. Dat is peanuts." Bij een bruine hen die 400 eieren legt, gaat het om 0,125 cent per ei.
Volgens zijn collega moet de opfokvergoeding voor biologische leghennen 4,5 cent per week omhoog om qua saldo in de buurt van 1 ster Beter Leven-vleeskuikens te komen. De prijs van een 17-weekse biologische opfokhen stijgt hierdoor met 0,765 euro per hen.
Nu is er sprake van een sterfhuisconstructie
Vergoeding te weinig gestegen
Opfokkers ontvangen weliswaar een hogere vergoeding per week dan enkele jaren geleden. Ze vinden deze stijging echter te gering. „Een stijging van een paar tiende cent van 8,5 naar 8,7 cent per week is veel te weinig. Daar kan ik de hogere kosten echt niet van betalen", zegt een opfokker. Een enkeling kan door de strengere bezettingsnormen van KAT een kwart minder opfokhennen opzetten in een stal. Vanaf 1 juli vorig jaar geldt namelijk een bezettingsnorm hooguit 18 dieren per vierkante meter. In stallen met meerdere niveaus is dit maximaal 36 dieren per vierkante meter bruikbare stalvloeroppervlakte. „Mijn opfokvergoeding is weliswaar 10 tot 15 procent gestegen, maar doordat ik minder hennen kan opzetten, ga ik er netto op achteruit", zegt een opfokker.
Een ervaren rot in het vak vindt een meerprijs van 50 cent per afgeleverde opfokhen daardoor dan ook veel te weinig. „Met een meerprijs van 50 cent per afgeleverde hen doe je niets met de komende stikstofwetgeving en dierenwelzijnswetgeving in aantocht", waarschuwt hij. Hoeveel de opfokvergoeding per gangbare hen dan wel omhoog moet, weet hij niet. Dat hangt volgens hem af van de impact van de stikstofwetgeving en het Convenant dierwaardige veehouderij. „Ik vind dat opfokkers niet gewaardeerd worden in Nederland. De opfokvergoeding is al jarenlang structureel veel te laag, terwijl opfok de basis is voor een goede koppel."
Verplaatsing naar Oost-Europa
Hij spreekt van een sterfhuisconstructie en vreest dat de komende jaren veel opfokkers stoppen in Nederland omdat de investeringen voor ammoniakreductie en een hoger dierenwelzijn onbetaalbaar zijn voor velen. „Door vergrijzing gaan er al veel opfokkers stoppen die het hun kinderen niet willen aandoen om voor zo'n magere vergoeding het bedrijf over te nemen. De regels in het Convenant dierwaardige veehouderij gaan bovendien veel te ver. Het betekent een aanzienlijke kostprijsstijging wat ertoe leidt dat opfokorganisaties massaal opfokhennen gaan importeren uit Oost-Europa waar ze niet aan deze ridicule eisen hoeven te voldoen." Hij denkt dat het veel leghennenhouders niet uitmaakt als hun opfokhennen uit Polen in plaats van Nederland komen; het gros van de leghennenhouders in Nederland is vooral geïnteresseerde in de laagste prijs van opfokhennen.
Overschot opfokcapaciteit
Zijn collega's zijn minder pessimistisch dan hij. „Ik denk dat er nu een overschot aan opfokcapaciteit in Nederland is doordat leghennen steeds langer worden aangehouden. Door de stoppersregelingen gaan er opfokkers stoppen. Bovendien stoppen sommigen met de opfok van biologische leghennen vanwege de aangescherpte normen. Daarnaast schakelen er opfokkers om naar vleeskuikens. Er komt wel weer een nieuw evenwicht en als er een tekort aan opfokplaatsen is, dan gaat de vergoeding omhoog." Beroepsgenoten vragen zich af of er momenteel wel een overschot aan opfokcapaciteit is. „Onze opfokstallen staan slechts één of twee weken leeg. Bovendien hoor ik van iedereen in de sector dat er nauwelijks leegstand is", zegt een opfokker.
Volgens het merendeel van de geïnterviewde opfokkers zijn leghennenhouders best bereid om iets meer voor hun hennen te betalen. „Tal van leghennenhouders werken al jaren met vaste relaties en gaan echt niet naar een ander als de hennenprijs 50 cent stijgt", zegt een opfokker. Zijn collega vraagt zich af of de meerprijs voor een leghen wel op de juiste plek terecht komt, namelijk bij de opfokker die het werk doet.
Volgens opfokkers ligt de bal voor een hogere vergoeding bij de opfokorganisaties. Zij moeten een hogere hennenprijs vragen aan leghennenhouders om te zorgen voor een eerlijkere margeverdeling in de keten. Enkel zo kan een massale uitstroom van opfokbedrijven uit Nederland worden voorkomen, waarschuwen opfokkers.
'We moeten opfokkers zien vast te houden in Nederland'
Leghennenhouders staan ervoor open om een hogere prijs voor jonge hennen te betalen. Zo blijkt uit een rondgang van Pluimveeweb onder leghennenhouders – die vanwege de gevoeligheid van het onderwerp niet met naam en toenaam genoemd willen worden. Hun namen zijn bekend bij de redactie.
„De opfokvergoeding moet omhoog omdat we opfokkers moeten zien vast te houden in Nederland", vindt een leghennenhouder. Hij wil jonge hennen uit Nederland blijven ontvangen en niet uit het buitland omdat hij daar geen goed gevoel bij heeft. Om een sterke opfoksector in Nederland te behouden moet de vergoeding omhoog, stelt hij. Collega-leghennenhouders kunnen zich hierin vinden.
10 procent duurder
Hoeveel hoger de opfokvergoeding per hen moet worden, weten de meeste leghennenhouders niet. „Die 50 cent per hen lijkt me in eerste instantie wel reëel. Ik sprak onlangs een opfokker waarbij de vergoeding 20 cent omhoogging. Dat is met alle kostenstijgingen nog te weinig", zegt een leghennenhouder. Hij benadrukt evenals zijn collega’s dat de jonge hennenprijs gestegen is en er in dat opzicht ook wel wat gebeurd is ten gunstige van opfokkers. Zijn collega vult aan dat hij tussen de 20 en 30 cent meer betaalt voor een jonge hen dan vorig jaar.
De jonge hennenprijs lag in het verleden geruime tijd rond de 4,50 euro. Een leghennenhouder geeft aan dat Ohne Kükentöten (OKT)-hennen al zo’n 3 euro per stuk duurder zijn. Door alle kostenstijgingen ligt de standaardprijs van jonge Mit Kükentöten (MKT)-hennen nu al rond de 5,50 euro, volgens hem. Bij een uitgebreider entschema zijn de hennen duurder. Hoeveel jonge hennen kosten, is echter bedrijfsspecifiek. Dat is behalve het entschema ook afhankelijk van andere factoren zoals OKT, MKT en VLOG- of GMO-voer.
Bij een andere leghennenhouder kondigde de broederij aan dat jonge hennen volgend jaar 10 procent duurder worden. Hij weet niet of dat voldoende is voor opfokkers, maar is wel bereid deze meerprijs te betalen. „Na uitbreken van de oorlog in Oekraïne in februari 2022 stegen de voerprijzen naar recordhoogtes. Hierdoor betaalden we sinds medio 2022 tot begin 2023 een hogere prijs voor jonge hennen dan nu. Dat is marktwerking waarmee je als ondernemer mee te maken hebt.”
Eiermarkt uitzonderlijk goed
Leghennenhouders erkennen dat de verschillen in verdiensten voor leghennenhouders en opfokkers momenteel gigantisch zijn. Ze benadrukken echter dat de eiermarkt buitengewoon goed is als gevolg van de vele vogelgriepuitbraken wereldwijd. Dat had drie jaar geleden niemand kunnen voorspellen. Het is afwachten hoe de eiermarkt over twee jaar is. Wellicht is deze dan genormaliseerd, zo voorspelt een leghennenhouder. Desondanks vindt hij wel dat de opfokvergoeding omhoog moet. Opfokkers verdienen volgens hem al jarenlang structureel te weinig. „Je kunt wel een redelijke boterham verdienen, maar geen plusje zoals in de leg om vervangingsinvesteringen te doen zoals de renovatie of nieuwbouw van een stal", geeft hij aan. Zijn collega onderschrijft dit en vult aan: „De verwachting is dat de eiermarkt de komende tijd op hoog niveau blijft. Hiervan mogen opfokkers best mee profiteren.”
Een andere leghennenhouder vindt dit echter geen goed argument. „We hebben ook weleens eierprijzen van 5 cent gehad. Toen kregen we niet opeens spotgoedkope hennen.” Wel pleit hij evenals zijn collega voor een betere verdeling van de marges in de keten. Dat heeft volgens hem tijd nodig.
Binnen de perken
Leghennenhouders vinden wel dat de verhoging van de jonge hennenprijs binnen de perken moet blijven. Opfokkers moeten volgens hen het hoofd koel houden. Ze lopen namelijk aanzienlijk minder risico dan leghennenhouders. Als een koppel jonge leghennen wordt getroffen door salmonella dan moet je die nog één tot twee jaar aanhouden terwijl je daardoor een aanzienlijk lagere eierprijs ontvangt, geeft een leghennenhouder als voorbeeld. Bovendien betaalt de opfokorganisatie voor de meeste opfokkers het voer waardoor een opfokker geen voerprijsrisico heeft, zoals een leghennenhouder. Zijn collega benadrukt dat opfokkers in tegenstelling tot leghennenhouders in een jaar nooit verlies hebben geleden.
Leghennenhouders lopen meer risico’s en profiteren hier nu van. Opfokkers die niet tevreden zijn, moeten niet klagen maar actie ondernemen, vindt hij. „Ze moeten zelf hun product verkopen net als een leghennenhouder of vleesvarkenshouder dat doet. Een keer het gesprek aangaan met een andere broederij over de opfokvergoeding kan geen kwaad.” Een opfokker moet volgens hem zelf zijn kostprijs uitrekenen om aan zijn opfokorganisatie uit te leggen welke prijs hij minimaal nodig heeft. Dat is onderdeel van ondernemerschap, betoont hij.
„Als er vanwege de te geringe opfokvergoeding daadwerkelijk meerdere opfokkers omschakelen naar vleeskuikens, leghennen of een andere tak dan wordt iedereen in de sector wakker geschud en gebeurt er wat.” Volgens hem is er krapte aan opfokruimte en gaat hierdoor de prijs vanzelf omhoog.
Zijn collega kijkt hier anders naar. Hij pleit voor meer solidariteit en is bereid hiervoor een hogere jonge hennenprijs te betalen. „Opfokkers mogen best meeprofiteren van de goede verdiensten van leghennenhouders in de vorm van een hogere opfokvergoeding. Dat is beter dan dat er veel opfokkers stoppen of omschakelen met als gevolg dat er straks te weinig opfokplaatsen zijn in ons land.”
De opfok is volgens hem de basis van een goed koppel. „Als je een hogere jonge hennenprijs betaalt, kun je ook eisen stellen aan de kwaliteit en heb je meer onderhandelingsruimte als het een keer tegenvalt dan wanneer je voor de goedkoopste hen kiest.”
Omvang nodig
Als opfokker is het lastig om een goede boterham te verdienen, geef een leghennenhouder aan. „Je hebt omvang nodig om als opfokker goede verdiensten te behalen. Aan de andere kant vergt het ook minder werk, met uitzondering van de piekperiodes zoals de opzet, de eerste week, het enten en de leegstand. Veel opfokkers met een geringe omvang werken daarom deels buitenshuis. Dat heeft ermee te maken dat de opfokvergoeding te laag is, maar ook omdat het te combineren is met een baan buiten de deur wat betreft de werkzaamheden." Al deze factoren zijn volgens hem van invloed op de opfokvergoeding.

Tekst: Tom Schotman
Opgegroeid op een vleeskuikenbedrijf in het Achterhoekse Vragender. Schrijft sinds augustus 2013 voor Pluimveeweb.nl, vakblad Pluimveeweb, Pigbusiness.nl, vakblad Pig Business en de regionale agrarische vakbladen van Agrio.
Beeld: Ellen Meinen, Natasja Beverloo



