Dreigt overproductie de vleeskuikenprijzen in Vlaanderen te drukken?

Vooral in West-Vlaanderen komen er veel nieuwe vleeskuikenplaatsen bij. „De prijzen staan nu al wat onder druk en liggen lager dan vorig jaar”, zegt Danny Coulier van Landsbond Pluimvee tegen het Vlaams infocentrum land- en tuinbouw. „Terwijl die goede prijzen net nodig zijn om de gestegen productiekosten te dragen.”
Sterke groei vleeskuikenplaatsen
De consumptie van kippenvlees blijft stijgen. Volgens VLAM eten Vlamingen steeds vaker kip. Het vlees wordt gezien als gezond, relatief milieuvriendelijk en past binnen verschillende religieuze voedingsvoorschriften.
Aan de aanbodzijde groeit de productie echter snel. Volgens Coulier telt West-Vlaanderen momenteel ongeveer tien miljoen vleeskuikenplaatsen. In 2025 werden er al vergunningen afgeleverd voor 1,3 miljoen extra plaatsen. „Als er dit jaar opnieuw evenveel bijkomt, dan spreken we op twee jaar tijd over een stijging van dertig procent in West-Vlaanderen”, zegt hij.
De groei komt deels doordat rundvee- en varkenshouders overschakelen naar pluimvee, onder meer vanwege de lagere stikstofuitstoot. Daarnaast breiden bestaande pluimveehouders hun bedrijven uit. „Kijken we naar heel België, dan gaat het om ongeveer tien procent extra capaciteit op twee jaar tijd”, zegt Coulier.
Rendement onder druk
De marktsituatie doet volgens Coulier denken aan die van de eiersector, al blijft het rendement daar momenteel veel hoger. „Het rendement op eieren ligt op een heel ander niveau dan bij vlees”, zegt hij. „De prijzen voor kippenvlees zijn al minder gunstig dan vorig jaar.”
Tegelijk zijn de productiekosten gestegen. Vooral de bouwkosten voor nieuwe stallen zijn de laatste jaren sterk toegenomen. „De kostprijs per kilo vlees is gestegen, onder meer door energie, maar vooral door de dure nieuwbouw”, zegt Coulier. „Net daarom hebben nieuwe investeerders de huidige prijzen nodig.”
Volgens hem dreigt overproductie als alle vergunde projecten effectief worden gerealiseerd. „Er zitten bovendien nog heel wat vergunningsdossiers in de pijplijn.”
Slachtcapaciteit en importdruk
In werkelijkheid zal de productie waarschijnlijk lager uitvallen dan de vergunde capaciteit, onder meer door het tekort aan NER’s. Toch blijft het risico op overproductie volgens Coulier reëel. Daarbij speelt ook de slachtcapaciteit een rol. „Tien procent extra slachtcapaciteit creëren is niet evident”, zegt hij. „En het vlees moet ook verkocht raken.”
Daarnaast staat de sector onder druk van import uit Oost-Europa. Slachterijen wijzen erop dat de Belgische productie duurder is dan die uit onder meer Polen.
Effect NCD
Polen wordt momenteel zwaar getroffen door Newcastle Disease (NCD). Dat lijkt op het eerste gezicht gunstig voor andere producenten, maar volgens Coulier is dat economisch niet zo.
Door exportbeperkingen naar markten buiten de Europese Unie blijft meer Pools vlees binnen Europa. Dat kan tegen lage prijzen op de markt komen. „Het vlees wordt hier dan tegen dumpprijzen aangeboden”, zegt Coulier. „Dat zorgt voor extra druk op onze markt.”
Productie afstemmen op vraag
Volgens Coulier kan de sector zelf ook invloed uitoefenen op de productie. Hij pleit ervoor om het aanbod beter af te stemmen op de vraag. „Als alle pluimveehouders in België een week extra leegstand zouden inlassen, dan daalt de productie meteen met ongeveer vijftien procent”, zegt hij.
De sector kan relatief snel reageren omdat de productiecyclus kort is. „Een cyclus duurt ongeveer zeven weken: zes weken groei en een week leegstand. Daardoor kunnen we sneller schakelen dan veel andere veehouderijsectoren.”
Of dat ook daadwerkelijk gebeurt, zal volgens Coulier afhangen van de marktsituatie. „Als het economisch slecht genoeg gaat, zullen pluimveehouders vanzelf op de rem gaan staan”, zegt hij tegen het Vlaams infocentrum land- en tuinbouw.

Tekst: Tom Schotman
Opgegroeid op een vleeskuikenbedrijf in het Achterhoekse Vragender. Schrijft sinds augustus 2013 voor Pluimveeweb.nl, vakblad Pluimveeweb, Pigbusiness.nl, vakblad Pig Business en de regionale agrarische vakbladen van Agrio.
Bron: Vlaams infocentrum land- en tuinbouw
