Pluimveehouders voorop in EU-project Biosecure
Details maken het verschil bij bioveiligheid

Het project Biosecure draait om het verbeteren van bioveiligheid bij landbouwhuisdieren. De Europese Commissie financiert het project. In verschillende landen worden veehouders langdurig begeleid bij het verbeteren van de biosecurity. In Nederland zijn verschillende leg- en vleeskuikenbedrijven gedurende ongeveer één jaar begeleid. Uitgangspunt was dat coaching het meest effectief is wanneer deze maatwerkgericht gebeurt, met aandacht voor bedrijfsspecifieke kwetsbaarheden. Om risico’s inzichtelijk te maken, werd gebruikgemaakt van verschillende instrumenten, zoals de uitgebreide bioveiligheidscoringsvragenlijst van Biocheck.UGent, fluorescerende gels en (wild)camera’s. Met deze middelen werden risicopunten gevolgd, samen met de veehouders oplossingen ontwikkeld en vervolgens opnieuw geëvalueerd en bijgestuurd. Er vond intensieve begeleiding plaats met meerdere bezoeken en met de veehouders concrete oplossingen zijn ontwikkeld en getest.
Jaar lang gevolgd
Afgelopen jaar draaide vleeskuikenhouder Joost van Lith (32) uit Mill (NB) als scharrelvleeskuikenbedrijf mee in het Biosecure-project. Met camera’s, fluorescentievloeistof en plaagdiermonitoring werd zijn 1 ster Beter Leven-bedrijf bijna een jaar lang gevolgd. Niet omdat het misging, maar juist omdat het al goed ging. Rondom de stallen zijn wildcamera’s geplaatst, onder meer bij de strooiselopslag, tussen de stallen, bij de wintergartens en bij een elektriciteitshuisje. Daarnaast werd op strategische plekken fluorescentievloeistof aangebracht om plaagdiersporen en insleep van mogelijk besmet materiaal van buitenaf zichtbaar te maken. „We hebben gelukkig nooit vogelgriep gehad en proberen besmetting te voorkomen. Het is ook een kwestie van geluk”, zegt Van Lith.
Wetenschap en praktijk
Francisca Velkers, pluimveedierenarts, epidemioloog, lid Deskundigengroep Dierziekten, universitair hoofddocent en een van de projectleiders, is heel tevreden over de samenwerking: „Het project draait om bioveiligheid: wat kan beter, ook bij bedrijven die de bioveiligheid al heel goed op orde hebben. Wij hebben als wetenschappers door het intensieve contact met de pluimveehouders heel veel geleerd van elkaar. Veel appjes en foto’s gingen op en neer. Maatregelen moeten praktisch en haalbaar zijn.” Haar contact met Joost van Lith ontstond via diergeneeskunde studenten van Universiteit Utrecht die in perioden zonder bezoekersverboden het bedrijf bezochten. „Van Lith is een interessant praktijkbedrijf, onder meer vanwege de uitloop en de hoge hygiënestatus”, legt Velkers uit. „Een mooi voorbeeldbedrijf voor onze studenten. Vanaf november 2024 startten de metingen, verspreid over meerdere rondes.”
Het is niet veel werk, maar je moet het wel echt gaan doen
Rubber flappen
Tijdens de observatieperiode viel op dat er weinig ongedierte was. Af en toe een rat, een verwilderde kat en sporadisch vogels. Wel bleek uit geluidsopnames van de wildcamera’s dat er ’s nachts veel ganzen op het suikerbietenperceel naast het bedrijf waren. „We verbazen ons soms over wat er allemaal buiten het zicht in de nachtelijke uren rondom stallen van bedrijven aanwezig is aan vogels, zwerf- en wilde dieren”, voegt Velkers toe. Maar juist de details bleken leerzaam. De ventilatieopeningen in de spouw bleven allemaal schoon na het aanbrengen van fluorescerende stof dus het leek er niet op dat muizen hierdoor naar binnen gingen. Regenwater bleek wel een aandachtspunt. Bij dubbele deuren van de wintergarten aan de regenkant sloeg bij harde buien wat water naar binnen. Binnen in de wintergarten staat een plank voor die deur met een dikke laag strooisel daarachter. Met fluorescentie werd zichtbaar hoe dat vocht zich een weg naar binnen baande tijdens de leegstand, als er geen strooisel lag. Van Lith bracht aan de buitenkant rubber flappen aan en legde nog extra dakgoten aan, wat op de meeste plekken voldoende bleek. Op één plek loopt de vloer echter naar binnen af, waardoor het bij extreme neerslag lastig blijft om alles buiten te houden. „Dat zijn dingen waar je vooraf niet bij stilstaat. Tot je letterlijk ziet dat het water naar binnen komt”, aldus Van Lith.
Discipline blijft nodig
De hygiënesluis functioneerde in de basis goed. De fluorescerende sporen stopten vrijwel volledig bij het plankje waar wordt overgestapt naar stalschoeisel. Toch liet het project zien hoe belangrijk discipline blijft. Sleutels vergeten en even op sokken in een andere stal, handen niet wassen tussen stalbezoeken; het zijn kleine momenten waarop het mis kan gaan. „Het is niet veel werk, maar je moet het wel echt gaan doen.”
Van Lith wisselt standaard twee keer van schoenen voordat hij de stal ingaat: eerst naar klompen in het voerhok, daarna naar stalspecifieke laarzen. Daarnaast heeft hij een aparte bedrijfshygiënesluis met doorloopdouche. Bezoekers komen pas het erf op als ze daar bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel hebben aangetrokken. Bij kuikenopzet wordt het stuk voor de deur nat ontsmet zodat de karren met schone wielen naar binnen rijden. Dat doet hij al jaren. Ook dat is niet 100 procent effectief, maar theoretische adviezen die in andere onderzoeken ooit zijn geopperd zijn niet altijd praktisch uitvoerbaar. Zo kwam de suggestie voorbij om de karren met kuikenkratten bij opzet niet de stal in te rijden maar bij de drempel over te laten pakken door de mensen in de stal. In theorie misschien veiliger maar niet uitvoerbaar in de praktijk. „Het moet ook werkbaar blijven.”
Op het erf wordt strak gewerkt aan preventie. Alles wordt kort gehouden, er ligt geen rommel waar muizen of ratten zich kunnen verschuilen en vaste plaagdierbestrijder VDH Prevent4U komt zes keer per jaar langs. Rapportages worden vastgelegd voor IKB en bij signalen, zoals één rat, volgt direct actie. „We overleggen altijd met de plaagdierbestrijder; altijd dezelfde persoon die ons bedrijf kent”, zegt Van Lith. Hetzelfde geldt voor de dierenarts van adVee.
Momenteel wordt de voerruimte dagelijks ontsmet met een rugspuit en één à twee keer per week grondig gereinigd. Ook voertuigen krijgen extra aandacht: voordat een verreiker de stal ingaat, worden de wielen ontsmet.
Bioveiligheid zit tussen je oren
Voor Van Lith zit de essentie van bioveiligheid niet in protocollen op papier, maar in gedrag. „Een bioveiligheidsplan is vaak een papier waar iets op moet staan. Maar het echte verschil zit tussen je oren. Je kunt alles opschrijven, maar als je zonder nadenken naar binnen loopt, heb je er niks aan.”
Het project bevestigde dat zijn bedrijf al hoog scoort op bioveiligheid, maar liet tegelijk zien waar nog winst te halen viel. Drainage-openingen bij de wintergarten werden afgesloten, dakgoten werden geplaatst en plekken waar met wildcamera’s plaagdieractiviteit werd gezien, werden extra gecontroleerd op extra goede afsluiting. Kleine ingrepen die het verschil kunnen maken. Is er iets kapot dan ontsmet Van Lith het gereedschap voordat hij het de stal mee inneemt.
Je denkt dat je alles goed doet maar anderen zien toch dingen die jij mist
Afhankelijk van je omgeving
Wat Van Lith frustreerde, was hoe afhankelijk je bent van je omgeving. Zo werd slootmaaisel pal voor het bedrijf neergelegd. Dat is een potentiële broedplaats voor ongedierte en het geeft kans op vogelgriepbesmetting. Pas na meerdere meldingen en een publieke reactie kwam er actie.
Terugkijkend noemt Van Lith het traject vooral een eyeopener. „Je denkt dat je alles goed doet maar anderen zien toch dingen die jij mist. Dan kun je meteen bijsturen.”
Zijn boodschap aan collega-pluimveehouders is helder: bioveiligheid zit niet in grote woorden, maar in dagelijkse keuzes. „Je kunt besmettingen nooit honderd procent voorkomen. Maar je kunt er zelf wel alles aan doen”, besluit Van Lith
Ervaringen biolegpluimveebedrijf
Griendijker B.V. uit Zeewolde (FL) was een van de legpluimveebedrijven die mee deed aan het Biosecure-onderzoek. Op het biologisch leghennenbedrijf is biosecurity geen papieren protocol, maar dagelijkse praktijk. „We proberen elke dag te verbeteren”, zegt Annemijn Dijkstra. De pluimveehouder werkt stap voor stap aan verbeteringen. Niet omdat iemand haar dat oplegt, maar omdat ze zelf de risico’s wil verkleinen. Dijkstra (33) is zeer betrokken en gemotiveerd.
In 2013 werd de thuislocatie geruimd vanwege laagpathogene vogelgriep. Op 25 oktober 2021 werd de tweede locatie van familie Dijkstra getroffen door hoogpathogene vogelgriep. Een moment dat haar en haar familie nog scherp bijstaat. „Toen zei mijn vader al: zo verder met steeds nieuwe uitbraken, dat kan niet meer.” Vijf jaar later is het besef alleen maar sterker geworden dat vogelgriep een continue bedreiging is. Zonder andere maatregelen, zoals vaccinatie, zullen nog veel bedrijven getroffen worden. Annemijn Dijkstra vindt het waardevol om actief mee te doen aan het bioveiligheidspraktijkonderzoek. Niet om vinkjes te zetten op papier, maar om het dagelijks werk slimmer en veiliger te maken. „We willen onze zwakke plekken ontdekken.” En bedrijfsspecifiek: op de ene locatie staan twee stallen die met elkaar verbonden zijn door een centrale gang, op de andere locatie is sprake van twee losse stallen. „Daar willen we nieuwe stallen bouwen met een centrale hygiënesluis. Dat zou ideaal zijn maar we lopen nu vast op de vergunningsverlening”, zegt Dijkstra. Samen met haar twee broers en ouders runt ze het biologische pluimvee- en akkerbouwbedrijf.
Geen papieren plan
„We hebben natuurlijk ook een bioveiligheidsplan, maar daar los je het niet mee op”, aldus Dijkstra. „Je moet zien wat er echt gebeurt op je bedrijf.” Dat laten de wildcamera’s, fluorescentiegel en observaties van looproutes in het project wel zien. „Dan zie je ineens waar vuil daadwerkelijk de stal inkomt. Via wielen, via schoenen, via plekken waar je nooit bij stilstaat.” Dat leidde tot praktische aanpassingen: duidelijke bordjes voor chauffeurs, vaste routes op het erf, een gieter met ontsmettingsmiddel bij de overheaddeur zodat palletwagens bij iedere passage hun wielen ‘meenemen’, en camera’s in het eierlokaal om te zien wat eierrapers en chauffeurs die eieren komen ophalen, doen.
In gesprek gaan
Opvallend is hoe sterk Dijkstra inzet op samenwerking in de keten. Chauffeurs worden aangesproken, maar ook actief betrokken. „Zij komen op veel bedrijven en zien praktische oplossingen die wij nog niet kennen.” Zo kwam het idee voor het ontsmetten van wielen bij iedere in- en uitrit rechtstreeks van een chauffeur. Andere gesprekken gingen over routing, schoon materiaal en veiligheid bij het wisselen van schoenen. „Je kunt wel allemaal dingen bedenken, maar het moet ook praktisch uitvoerbaar zijn. Voor medewerkers, voor chauffeurs, voor iedereen. Biosecurity moet dummy-proof zijn.”
Ook met eierpakstation Gebr. Van Beek BV wordt open gesproken over hygiëne, salmonella en logistiek. Ideeën zoals gescheiden fuststromen blijken in de praktijk complexer dan gedacht, maar leveren wel wederzijds begrip op. „Als je meedenkt, denkt de ander ook mee.”
Kleine ingrepen, groot effect
Veel verbeteringen zijn eenvoudig: een plattegrond bij de erfingang zodat chauffeurs direct naar de juiste stal lopen, bordjes met contactnummers, vaste laarzen per stal, gereedschap per bedrijf of stal. Daarnaast is actief gemonitord op plaagdieren. Wildcamera’s brachten ratten bij de mestband in beeld en wilde katten rondom en soms in de wintergarten. „Dat zie je overdag niet. Maar ’s nachts gebeurt er van alles.” Wilde katten worden inmiddels gevangen en via Stichting Zwerfkatten gesteriliseerd. Kittens krijgen een nieuw thuis. „Het is extra werk, maar ze vormen wel een risico.”
Dagelijke alertheid
Als pluimveebedrijf is volledige controle onmogelijk. „Je kunt aan de voorkant schoenen wisselen en handen wassen, maar normaliter heb je uitloop naar buiten.” De wintergarten blijft ook een aandachtspunt voor het binnenkomen van ongedierte of wilde katten.
Dijkstra benadrukt dat hygiëne niet leeftijdsgebonden is, al groeien de jongere ondernemers er wel mee op. „Mijn broers en ik zijn constant bezig met optimaliseren: hoe kan het beter, slimmer, praktischer? Biosecurity moet in je systeem gaan zitten, in je dagelijks werk.”
Biosecurity is nooit af. Mest moet uit de stal. Mensen moeten werken. Dieren leven in een open omgeving. Honderd procent controle bestaat niet. „Je doet wat je kunt. En je probeert die grens steeds een stukje te verleggen. Elke dag een beetje beter.” Haar boodschap aan collega’s is helder: wees nieuwsgierig, ga in gesprek, kijk eens met andere ogen naar je bedrijf. „Hang eens een camera op. Loop ’s avonds een rondje. Vraag chauffeurs wat zij zien. En ook de voeradviseur en dierenarts: zij komen op veel bedrijven en komen vaak met punten waar je zelf misschien niet aan hebt gedacht. Het zijn vaak kleine dingen die het verschil maken.” Wat misschien wel het belangrijkste is: begin gewoon. „Je hoeft niet meteen alles perfect te doen. Maar als je wilt verbeteren, moet je eerst durven kijken.”
Uitloop blijft kwetsbaar punt
De overdekte uitloop blijft volgens Joost van Lith een risicovol onderdeel, vooral in natte periodes. Regen kan via windbreekgaas naar binnen slaan en in de wintergarten is volledige afdichting lastig. Het windbreekgaas kan handmatig omhoog gedraaid worden als er regen wordt verwacht. Camera’s lieten zien dat in lege uitlopen soms vogeltjes naar binnen kwamen via open waterafvoeren. Die openingen waren er al jaren, ooit bedoeld voor spoelwater, maar bleken een onnodig risico. Ze zijn inmiddels definitief dichtgemaakt met cement. Het spoelwater werd al eerder via rioolbuizen afgevoerd. Scharrelvleeskuikens moeten vanaf 3 weken leeftijd in de overdekte uitloop. Een onnodig risico in tijden van vogelgriep, vindt Van Lith. Bij legbedrijven is de overdekte uitloop ook een kwetsbaar punt voor ongedierte. Die uitloop is nooit helemaal goed af te sluiten van de buitenuitloop. Isolatie en windbreekgaas zorgen voor minder wind- en regeninslag. „Dat deden we eerst vanwege regelgeving, maar het is ook gunstig voor biosecurity. Minder wind en regen richting de dieren.”
Eierlokaal is vuile zone
Een belangrijk inzicht uit het onderzoek: ontsmettingsmiddel geeft vaak een vals gevoel van veiligheid. Als er mest aan wielen zit, helpt ontsmetten niet. Eerst schoonmaken, dan pas ontsmetten. Water en zeep zijn de basis. Na de camerabeelden en overleg met het pakstation beschouwt Annemijn Dijkstra het eierlokaal als ‘vuile zone’. In de praktijk betekent het andere kleding en handschoenen aan en omkleden voordat je de stal ingaat. Ook zo vaak mogelijk, liefst na elke eierophaalbeurt, het eierlokaal schoonmaken. Ze merkt dat schoonmaken in de dagelijkse drukte soms onderaan het prioriteitenlijstje belandt. „We produceren voedsel. Schoonmaken zou een vast onderdeel van je werk moeten zijn. Net als voeren of eieren draaien. Het is misschien niet het leukste werk, maar het werkt gewoon prettiger in een schone omgeving en het geeft een gevoel van rust. Je hebt zelf in ieder geval gedaan wat je kunt.”





