PBL: Ook de landbouw moet zich voorbereiden op extremer klimaat

Het PBL heeft onderzocht hoe kwetsbaar Nederland bij ongewijzigd beleid is voor klimaatverandering, en wat het land kan doen om zich voor te bereiden. Daarvoor heeft het planbureau gekeken naar dertien onderwerpen, van gezondheid en waterkwaliteit tot gebouwde omgeving en infrastructuur. En dus ook naar landbouw.
Het rapport identificeert vier effecten van klimaatverandering: Nederland krijgt te maken met een warmer klimaat, met meer periodes van droogte, met periodes van extreme regenval, en met een stijging van de zeespiegel. Om zich daarop voor te bereiden, kan het land zoeken naar technische oplossingen (intensiveren noemt het PBL dat) of op een andere inrichting van de ruimte (transformeren). Maar welke keuzes ook gemaakt worden, aanpassen aan klimaatverandering is onvermijdelijk, stelt het planbureau. „De vraag is niet óf Nederland verandert, maar of wij in staat zijn een land te bouwen dat ook in een warmer, droger en natter klimaat leefbaar, rechtvaardig en veerkrachtig blijft.“
Droogte: grote oogstverliezen
De grootste risico’s voor de akkerbouw zijn droogte en wateroverlast. Als het klimaat de komende vijfentwintig jaar sterk verandert, zullen tegen 2050 periodes van droogte drie keer zo vaak voorkomen dan nu het geval is, en ze zullen intenser zijn. Ook brengen lange droogteperiodes een groter risico op verzilting mee.
Als de sector zich niet aanpast, kan dat jaarlijks tot oogstverlies leiden, met eens in de tien jaar een schade tussen de 100 miljoen en 1 miljard euro. De gemiddelde waterbehoefte voor irrigatie zal met 30 tot 80 procent toenemen.
Als de klimaatverandering beperkt is, zullen deze langdurige droogteperiodes minder vaak optreden - het planbureau schat dat het dan eens per tien tot honderd jaar voorkomt.
De sector kan zich hiertegen wapenen door te intensiveren; de impact van droogte kan deels verminderd worden door het kweken van rassen die beter bestand zijn tegen droogtestress, en door irrigatietechnieken als druppelirrigatie. Deze technische oplossingen kunnen de impact verkleinen, maar niet helemaal wegnemen.
Een andere aanpak is transformatie, oftewel het meer inpassen van landbouw in het landschap. Door het aanleggen van bufferzones en een verbeterde waterberging kan water beter worden vastgehouden in natte periodes, en geleidelijk beschikbaar komen tijdens droogtes. Verbeterde waterverdeling en groen-blauwe dooradering kunnen het risico van langdurige droogte op gewassen verminderen en de schade beperken.
Extreme buien en natte perioden
Extreme buien in het groeiseizoen zullen eens in de 35 jaar voorkomen. Lange natte perioden zullen vaker voorkomen, gemiddeld om de zes tot acht jaar.
Als er geen maatregelen worden genomen om dit op te vangen zal dit leiden tot effecten op gewasopbrengsten en bodemkwaliteit. Het PBL schat het economische risico daarvan ook op ergens tussen de 100 miljoen en 1 miljard euro.
Technische maatregelen kunnen ook deze risico’s verkleinen. Door over te stappen op lichtere landbouwmachines verdicht de bodem minder, wat het vermogen van de bodem om water op te nemen vergroot. Ook kan worden gewerkt aan manieren om water snel af te voeren.
De druk van schimmels en bacteriële aanslagen wordt groter tijdens vochtige periodes; boeren zouden gebruik kunnen maken van vochtsensoren en satellietdata om dit risico sneller in kaart te brengen, en met precisietechnieken enkel de besmette plekken behandelen. Dit verhoogt de effectiviteit van de ingreep en verlaagt de milieudruk.
Het risico kan ook worden beperkt door een transformatie-aanpak. Als landschappelijke functies als landbouw, waterbeheer en natuur meer worden verweven krijgt water meer de ruimte, en daardoor kunnen extreme buien en lange natte periodes beter worden opgevangen. Landbouwbedrijven kunnen zelf overschakelen naar een achtjarige gewasrotatie met meer gewasdiversiteit, en zo het risico spreiden. Binnen percelen kan de boer werken met strokenteelt. Op deze manier kan die risico spreiden in ruimte en tijd.
Veehouderij lijdt onder hittestress
De veehouderij zal vooral te maken krijgen met hitte. Rond 2050 zullen dieren vaker lijden onder hittestress. Dat kan leiden tot een lager dierenwelzijn, een 3 tot 12 procent lagere opbrengst van zuivelproductie, een vergelijkbaar lagere groei bij varkens, en lager lichaamsgewicht en meer sterfte bij vleeskuikens. Economisch gesproken kan dit leiden tot een verlies van een half miljard euro per jaar.
Hittestress in de stal kan worden aangepakt met technische maatregelen als verkoeling en klimaatbeheersing, of - minder hoogtechnologisch - met betere ventilatie en hogere luchtsnelheid. In de buitenruimte kan worden gezorgd voor schaduw en koelere plekken voor de dieren, en management kan inspelen op periodes van hitte door aanpassing van weidegang en begrazingspatronen.
Andere klimaatrisico’s in de veehouderij zijn een grotere vraag naar water en een lagere kwaliteit grasland in periodes van droogte, en problemen bij weidegang in natte periodes. Klimaatverandering kan ook leiden tot verspreiding van infectieziekten bij vee - een voorbeeld daarvan is de blauwtongepidemie bij schapen, nog niet zo lang geleden.
‘Maak landbouwtransitie klimaatadaptief’
Het PBL-rapport is niet bedoeld om de individuele boer aan te sporen om stappen te nemen, maar om de overheid ertoe aan te zetten om keuzes te maken. „Het is noodzakelijk dat Nederland zich meer gaat voorbereiden op de grotere hitte, droogte en wateroverlast“, stelt het planbureau. Welke keuzes daarbij gemaakt worden, hangt af van wat overheid en samenleving belangrijk vinden.
Nederland staat voor een groot aantal ontwikkelingen en transities, waaronder een transitie van de landbouw en het landelijk gebied. Het PBL roept de overheid op om deze transities vanaf de start klimaatadaptief aan te pakken en boeren in staat te stellen om maatregelen te nemen, om zo later extra last en kosten te voorkomen.
