Open brief aan het Voedingscentrum: duurzaamheid boven dierenwelzijn?
Opinie: 'Adviseert het Voedingscentrum om gangbare kip te eten?'

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van uw vernieuwde adviezen rondom de Schijf van Vijf, waarin duurzaamheid nadrukkelijker is meegewogen in voedingsaanbevelingen. Het is goed dat maatschappelijke vraagstukken zoals klimaat en voedselproductie onderdeel zijn van het publieke debat. Tegelijkertijd roept uw nieuwe koers ook fundamentele vragen op.
De Nederlandse pluimveesector heeft de afgelopen jaren forse stappen gezet op het gebied van dierenwelzijn. Via onder meer het Beter Leven Keurmerk zijn stalsystemen aangepast, groeien de dieren langzamer, krijgen meer ruimte, meer afleiding en meer mogelijkheden voor natuurlijk gedrag. Deze verbeteringen zijn niet vrijblijvend geweest: ze vroegen grote investeringen van boeren en verwerkers én leiden in de praktijk tot een hogere milieu-impact per kilogram vlees.
Een kip die langzamer groeit, meer beweegt en meer ruimte krijgt, eet namelijk ook meer voer. De zogenoemde voederconversie stijgt. Daarmee stijgt de CO₂-uitstoot per kilogram product. Anders gezegd: beter dierenwelzijn gaat gepaard met een lagere efficiëntie en meer milieu-uitstoot op diverse parameters.
Principiële vraag
Dat brengt ons bij een principiële vraag: Als duurzaamheid nu zwaarder meeweegt in voedingsadviezen, betekent dit dan dat het Voedingscentrum voortaan ook expliciet gaat adviseren om als er dan vlees gegeten wordt, dat dat vlees is zonder dierenwelzijnsconcept. En betekent dit dan verder dat als je vlees eet, dat je die zou moeten consumeren met de laagste CO2-uitstoot, zoals pluimveevlees?
Wij vinden dat consumenten recht hebben op een eerlijk en volledig verhaal. Een verhaal waarin het gesprek over CO2-uitstoot is belangrijk, maar dierenwelzijn, betaalbaarheid, voedselzekerheid en sociaaleconomische realiteit eveneens. Want zodra één criterium dominant wordt gemaakt, ontstaan onvermijdelijk nieuwe tegenstrijdigheden. Ons inziens zou het voedingscentrum zich moeten houden tot of informatie over voedingswaarde en anders alle variabelen een plek geven in de discussie over de consumptie van (pluimvee)vlees. Indien voor dit laatste gekozen wordt, dan verwachten wij dat met alle ontwikkelingen binnen onze sector en goede scores op algehele duurzaamheid, dat consumptie van het duurzame pluimveevlees extra hoog in de adviezen van het Voedingscentrum zal komen te staan.
Kortom, met uw huidige keuze om naast voedingswaardes ook milieu-impact mee te nemen, neemt u hierin een duidelijke keus en sluit u vele andere variabelen uit. Wij nodigen het Voedingscentrum uit tot een open gesprek over over de vraag waarom u specifiek deze keus heeft gemaakt en of u ook de consequenties hiervan heeft overzien.
Tekst: Gert-Jan Oplaat
Beeld: Susan Rexwinkel
