Opfokvergoeding geleidelijk verhoogd
'Hennenprijs kan niet in te grote stappen stijgen'

De opfokvergoeding is in de ogen van veel opfokkers veel te laag in vergelijking met de rendementen van leghennen- of vleeskuikenhouders. Ze pleiten voor een andere margeverdeling in de legpluimveeketen, zo was uitgebreid te lezen in vakblad Pluimveeweb van mei. Directeur Jan Vroegindeweij van Het Anker en general manager Erwout van Wolfswinkel van broederij Vepymo onderschrijven dat de margeverdeling in de legpluimveeketen momenteel scheef is. „De argumenten die opfokkers aandragen, kloppen. Opfokkers zijn niet het best bedeeld in de keten”, zegt Vroegindeweij.
Opfokvergoeding verhoogd
Zowel Het Anker als Vepymo betaalden opfokkers een hogere opfokvergoeding uit de afgelopen jaren. „We hebben de opfokvergoeding sinds 1 juni opnieuw verhoogd en eerder al in januari”, zegt Van Wolfswinkel. Vroegindeweij geeft aan dat ook Het Anker de opfokvergoeding substantieel verhoogd heeft de afgelopen jaren en het einde hiervan nog niet in zicht is. „Om voldoende goede opfokbedrijven in Nederland te houden, moet hier ook voor betaald worden”, zegt de directeur.
Hij benadrukt dat het niet zo is dat opfok zich niet bedruipt. „Bij Het Anker werken we vooral met open opfokcontracten, zodat we op korte termijn kostenstijgingen kunnen compenseren. Bij het afsluiten van bijvoorbeeld driejarige opfokcontracten is het anders. Als je aan het eind van zo'n contract zit dan is de opfokvergoeding te laag – gezien alle kostenstijgingen in de afgelopen jaren. Ik begrijp dat opfokkers die in zo'n situatie zitten, ontevreden zijn over hun opfokvergoeding. Van onze opfokkers hoor ik hier geen klachten over."
We kunnen de hennenprijs niet opeens met 70 cent verhogen
„Onze opfokvergoeding stijgt al tien jaar achter elkaar", vervolgt Vroegindeweij. Dat is volgens hem terecht omdat de inflatiecorrectie en hogere arbeidskosten voor het vangen van de hennen gecompenseerd moeten worden. „De kosten van een entploeg zijn ook aanmerkelijk hoger dan tien jaar geleden, maar de meeste opfokorganisaties nemen, net als wij, die kosten voor hun rekening. Opfokkers moeten dit jaar bovendien een beduidend hogere heffing betalen aan het Diergezondheidsfonds (DGF) voor pluimvee. Die kosten nemen wij voor onze rekening. Dat doen volgens mij de meeste legbroederijen voor hun opfokkers." Vroegindeweij benadrukt dat het van groot belang is dat er goede opfokbedrijven in Nederland blijven. „We hebben de jonge hennenprijs de afgelopen jaren stevig verhoogd om opfokkers een hogere vergoeding te kunnen betalen.”
Hogere vergoeding
Isacom – de samenwerking van Het Anker en Vepymo waarin zij gezamenlijk moederdieren houden – verhoogde de vergoeding voor legvermeerderaars vorig jaar en dit jaar. „Wij vinden dat legvermeerderaars mogen profiteren van de situatie op de eiermarkt om de margeverdeling in de legpluimveeketen eerlijker te laten verlopen", zegt Vroegindeweij. Het Anker en Vepymo verhoogden ook de opfokvergoeding. Vroegindeweij: „Opfokkers die KAT-hennen opfokken voor de Duitse markt mogen sinds vorig nog maximaal 18 hennen per vierkante meter leefoppervlak opzetten en geen 20 meer. Hierdoor gaat de bezetting met 10 procent omlaag. Het is logisch dat we dit gecompenseerd hebben. Daarbij komt ook nog de inflatie en andere gestegen kosten."
Behoorlijke acceptatie
„We zien gelukkig acceptatie van onze klanten voor de hogere leghennenprijs. Je moet dit wel goed uitleggen, maar tot nog toe hebben al onze klanten hier begrip voor."
In welke mate Het Anker de opfokvergoeding heeft verhoogd, wil hij niet zeggen. „Stel dat een opfokker 1 cent meer per hen per week krijgt dan praat je al over 17 cent per ronde. Een gemiddelde opfokker draait bij ons al snel 2,55 rondes per jaar. Bij een wekelijkse stijging van 1 cent ontvangt een opfokker 43,35 eurocent per dierplaats per jaar. Een opfokker met 100.000 opfokplaatsen zou dan 43.350 euro meer ontvangen. Dat is heel behoorlijk."
Van Wolfswinkel wil evenals Vroegindeweij niet vertellen hoeveel Vepymo de opfokvergoeding verhoogde de afgelopen jaren. Hij spreekt van een substantiële verhoging.
Van Wolfswinkel wijst erop dat veel hennen tegenwoordig bijna twee jaar aangehouden worden door leghennenhouders. „Twee jaar geleden was de aanschaf van jonge hennen aanmerkelijk goedkoper. Hoewel iedereen zich bewust is van hoge inflatie en veel hogere arbeidskosten krijgen we regelmatig de opmerking van onze klanten dat jonge hennen zoveel duurder geworden zijn. De meeste leghennenhouders willen best wat meer betalen voor jonge hennen, maar sommigen proberen nog steeds de allerlaagste prijs te realiseren."
„Wij verhogen de verkoopprijs van jonge hennen stapsgewijs. We kunnen deze prijs niet in één keer met 70 cent verhogen. Stel dat een leghennenhouder dan 100.000 nieuwe hennen bestelt, dan zou hij opeens 70.000 euro meer moeten betalen. Dat is veel geld. We verhogen de verkoopprijs voor jonge hennen en daarmee ook de opfokvergoedingen daarom met meerdere stapjes. Daarbij merken we regelmatig dat de gerealiseerde verkoopprijs nog achterblijft bij de gestegen kosten. Het bewaren van dit evenwicht is al een hele kunst op zich.”
‘Duurt niet eeuwig’
Opfokkers hebben de afgelopen jaren niet zoveel verdiend als leghennenhouders. Dat is echter ook jaren anders geweest, geeft Vroegindeweij aan. Van Wolfswinkel onderschrijft dit. „Het is een grote uitdaging om de margeverdeling tussen opfokkers en leghennenhouders in balans te houden." Hij denkt dat die onbalans er altijd wel een beetje zal blijven. „De ene keer is dat in het voordeel van de leghennenhouder. De andere keer in het voordeel van een opfokker." Nu is het al zeker drie en misschien al wel vier jaar in het voordeel van leghennenhouders. Van Wolfswinkel merkt dat hier onvrede over is bij opfokkers. „In de legpluimveeketen is iedereen er echter van overtuigd dat de huidige rendementen voor leghennenhouders niet tot in lengte van jaren zo zullen blijven. Er zal ooit wel weer een kentering komen; die marktrisico’s heeft een opfokker minder", vervolgt hij.
We zoeken nog opfokkers; net zoals de meeste opfokorganisaties
Vroegindeweij beaamt dat leghennenhouders de laatste jaren hoge koppelsaldo’s boeken. Hij betoont echter dat het saldo sterk afhangt van of de eieren op notering of voor vaste prijzen zijn verkocht en of de voerprijs is vastgezet of niet.
De directeur wijst erop dat het uitmaakt of opfokkers recent geïnvesteerd hebben. „Als je pas geïnvesteerd hebt in nieuwbouw en pluimveerechten hebt moeten aanschaffen dan heb je de huidige, hogere opfokvergoeding hard nodig. Er zijn echter ook opfokkers met afgeschreven stallen die hun pluimveerechten ooit gekregen hebben. Voor hen is de huidige opfokvergoeding eerder toereikend.”
Nieuwbouw
Opfokkers vinden het vreemd dat ze voor vervangingsinvesteringen in een nieuwe stal of nieuw opfoksysteem financiering moeten aanvragen. Ze vinden dat ze zoveel moeten verdienen dat ze een opfoksysteem na vijftien jaar uit eigen middelen kunnen betalen. „Opfokkers moeten wel geld reserveren voor vervangingsinvesteringen. Al het benodigde geld voor een nieuw opfoksysteem van de bank lenen, valt niet mee", reageert Vroegindeweij.
Sommige opfokkers vrezen dat de opfoksector zich verplaatst naar Oost-Europa en dat de jonge hennen voor de Nederlandse leghennenmarkt straks deels uit Polen komen. Vroegindeweij is daar niet bang voor. „Wij werken met ruim vijftig opfokbedrijven. We hebben één stopper die deelneemt aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv)."
Markt in balans
Volgens Vroegindeweij is de Nederlandse opfokleghennenmarkt momenteel redelijk in balans met de leghennenmarkt in ons land. Sommige opfokkers vrezen dat er te veel opfokplaatsen zijn in Nederland omdat veel leghennenhouders meedoen aan een van de stoppersregelingen. Er stoppen echter ook opfokkers, aldus de directeur. „Op sommige opfokbedrijven zien de kinderen het niet zitten om het bedrijf over te nemen. Als het niet jouw ding is, dan is dit ook een verstandige keuze. Als opfokker moet je wel zeven dagen per week je dieren verzorgen. Er zijn echter ook jonge ondernemers die het wel zien zitten en verder investeren."
Net als in Nederland is ook de opfokmarkt in Duitsland in balans, volgens Vroegindeweij. In Duitsland is nieuwbouw praktisch onmogelijk. „Er worden in Duitsland zo nu en dan opfokbedrijven gebouwd omdat de markt vraag om 5xD, maar evengoed komen er kleinschalige leghennenbedrijven bij."
In België is nieuwbouw ook onmogelijk omdat er geen vergunningen worden afgegeven door de stikstofproblematiek, schetst Van Wolfswinkel: „Er gaan alleen vierkante meters staloppervlakte af van stoppers in Nederland en België." Zowel hij als Vroegindeweij verwachten niet dat er een massale uitstroom van opfokbedrijven uit Nederland gaat plaatsvinden.
Pluimveeweb vroeg Pluriton en Ter Heerdt-Verbeek ook om een reactie, maar beide opfokorganisaties willen niet reageren.
'2,2 rondes of minder per jaar opfokken is fnuikend'
Vroegindeweij en Van Wolfswinkel wijzen erop dat opfokkers voldoende rondes moeten draaien per jaar om geld te verdienen. Vroegindeweij: „Onze opfokkers draaien tussen de 2,5 en 2,7 rondes per jaar. Een lange leegstand is funest. De kosten lopen namelijk gewoon door. Een lange leegstand geeft een slecht gevoel. Je hebt de stallen immers niet om leeg te laten staan. Ik vind het fnuikend als opfokkers slechts 2,2 rondes per jaar of minder draaien." Van Wolfswinkel sluit hier grotendeels bij aan en voegt toe dat opfokbedrijven en opfokorganisaties elkaar hard nodig hebben. „Ik ken één opfokker uit Noord-Frankrijk die zelf zijn hennen afzet. Ik geef het je te doen om als opfokker met 150.000 plaatsen alle hennen zelf af te zetten 2,5 keer per jaar. Voor opfokorganisaties is dit altijd passen en meten. Soms helpen we elkaar vooruit omdat het voor iedereen in de legpluimveeketen goed is dat de bezetting van opfokstallen hoog is." Zowel Het Anker als Vepymo zijn nog op zoek naar nieuwe opfokkers. „De meeste legbroederijen in ons land kunnen er vermoedelijk nieuwe opfokbedrijven bij gebruiken", zegt Vroegindeweij.

Tekst: Tom Schotman
Opgegroeid op een vleeskuikenbedrijf in het Achterhoekse Vragender. Schrijft sinds augustus 2013 voor Pluimveeweb.nl, vakblad Pluimveeweb, Pigbusiness.nl, vakblad Pig Business en de regionale agrarische vakbladen van Agrio.
Beeld: Susan Rexwinkel, Natasja Beverloo



